|
Scheepsmasten zijn van oorsprong gewone houten palen, die rechtop of met enige 'valling' (= helling) in het schip worden gezet om daaraan de zeilen te kunnen ophangen. In het begin hadden schepen 1 mast, maar bij het vergroten van de schepen had men ook meer zeil nodig. Omdat een steeds groter wordend zeil niet meer te hanteren was, werd dit dus verdeeld in kleinere stukken en daarvoor waren dus meer ophangmogelijkheden nodig. Daarom kregen schepen eerst twee, later drie en gedurende enige tijd zelfs 4 masten, meestal met een boegspriet. Deze laatste werd wél tot de masten gerekend, maar werd niet meegeteld bij de benamingen van de masten. Zo had een driemastbark een fokkenmast, grote mast en bezaanmast plus een boegspriet. Gedurende de 15de en 16de eeuw hebben schepen vaak gevaren met een 4de mast, de z.g. 'bonaventuramast'. Deze was getuigd met een, latijnzeil - evenals de bezaanmast - en bedoeld om het sturen te vergemakkelijken. Heel veel effect schijnt dat niet gehad te hebben, want na enige tijd verdwenen deze masten weer. Wél wordt op grond van plaats en afmeting verondersteld, dat deze 'bonaventuramasten' de aanzet hebben gegeven tot het gebruik om een vlaggenstok met landsvlag op het achterschip te plaatsen. In de 19de en 20ste eeuw hebben nog enkele bekende vijfmastbarken gevaren, zoals de "Pamir" en de 'Passat" en slechts één vijfmastvolschip, de "Preussen". In Amerika voeren in die tijd zelfs een behoorlijk aantal zes- en zevenmast-schoeners, waarvan de bekendste is geweest de' Thomas W. Lawson". Zij zijn echter zonder uitzondering allemaal vergaan. De reders waren grote voorstanders van dit soort schepen, want ze voeren met héél kleine bemanningen, maar de zeevarenden hadden er minder waardering voor. Schoenerschepen kunnen weliswaar snel en hoog aan de wind varen, maar op ruimere koeren kunnen ze soms zeer gevaarlijk gedrag vertonen. Wel eens een 'gijp' met een zevenmaster geprobeerd? In het begin waren de masten eenvoudig gemaakt van een gladgeschaafde rechte boomstam, maar de schepen bleven groeien en dus moesten de masten langer worden. Ze werden daarvoor verlengd d.m.v. een steng. Ook die was aanvankelijk vast aan de mast gesjord met touw, maar omstreeks 1570 vond ene Krijn Woutersz. van Enkhuizen de z.g. 'schietende steng' uit. Dit was een steng, die d.m.v. een takel omlaag kon worden gebracht, tot op het dek toe. Dat was bij het op- en aftuigen van een schip natuurlijk gemakkelijk, maar vooral van belang bij slecht weer of bij schade aan het tuig. Maar ook de masten met stengen bleven steeds hoger - en daardoor ook steeds dikker - worden. Om deze grotere dikte te verkrijgen werden de masten uit delen samengesteld. Dat kwam hierop neer dat rond een vierkant geschaafde 'kern' een aantal halfronde schalen werden aangebracht die met duvels werden vastgezet. Dit geheel werd dan weer mooi rond geschaafd, zodat een dikkere mast ontstond. Maar ook deze 'samengestelde masten' bleven weer groeien, zodat ze niet alleen steeds hoger en dikker werden, maar ook meer druk van de zeilen te verwerken kregen. Om daar aan tegemoet te komen werden de masten op regelmatige afstanden met touwstroppen omwikkeld en later voorzien van ijzeren 'mastbanden' (zoiets als de hoepels om een ton dus). Het nadeel hiervan was echter bij schepen, die aan de achterste mast een gaffelzeil voerden, zoals het eerst bij de kleinere tweemast brikken werd ervaren, dat de klauw van de gaffel niet alleen steeds groter en breder moest worden, maar dat hij ook niet meer langs de mast omhoog of omlaag wilde glijden. Daarom werd bij die schepen achter de mast een dunnere geplaatst, die niet tot onder in het schip kwam, maar aan de onderkant op het dek was geplaatst en met de bovenkant werd bevestigd aan het ezelshoofd (= verbinding tussen mast en steng). Deze mast werd 'snauwmast' genoemd en de schepen, die hem voerden dus snauwschepen, snauwbrikken of snauwen. Later, toen ook de grotere koopvaardijfregatten gaffelzeilen aan de fokkemast en de grote mast gingen voeren, werden ook bij die masten snauwmasten aangebracht.
|